line decor
 
 
 
 

 
 

                 VIERINGEN IN HET WEEKEND:

         zaterdagavond:                        19.00 u.: viering met samenzang

         zondagmorgen:                        10.00 u.: viering met het Gemengd Koor.

 

                 VIERINGEN IN DE WEEK:

        woensdag en vrijdag om 9.30 uur

 

 

 

 

   

 

 

 Op zaterdag 7 oktober is onze geliefde pastor Hans Visser overleden. Zijn laatste preek die hij zelf niet meer heeft kunnen houden, maar die op zondag

 is voorgelezen, willen wij publiceren.

Jesaja V 1-7; Mattheüs XXI, 33 - 43

In de beide lezingen wordt het beeld naar voren gebracht van de wijngaard en met dat beeld wil God ons laten zien dat dat Hij steeds weer mensen naar ons

toezendt - de profeten, Zijn Zoon, de mensen om ons heen, die ons op onze taken wijzen - die ons in herinnering brengen wat Hij van ons verwacht. We hebben

de neiging om niet altijd bereid te zijn het goede voorbeeld dat zij geven, na te volgen. We worden gewaarschuwd om de opdracht van God serieus

op ons te nemen.

Al zijn we stadsmensen: we kunnen ons redelijk het beeld voor de geest halen, dat de bijbellezingen dit weekend aan ons voorleggen: het beeld

van de wijngaard. Natuurlijk hoop je bij de oogst druiven te kunnen plukken, maar voor het zover is dient daarvoor behoorlijk wat arbeid verricht te

worden, anders heb je de kans dat de wijnstok verwildert en geen vrucht oplevert.

De wijngaard wordt gebruikt als beeld van de aarde, van onze leefwereld. In de profetie van Jesaja, het lied van de wijngaard, worden we eraan

herinnerd dat God de schepping zo heeft ingericht, dat wij met alles wat ons geschonken is, kunnen leven. Het volk van Israël - en zij niet alleen -

heeft verschillende geschonken gaven niet gebruikt of verkeerd gebruikt, zodat de samenleving niet voor iedere mens het levensgeluk biedt,

dat God met mensen voorheeft. Het volk gleed steeds meer af van Gods bedoeling, zodat God via Jesaja aan mensen - dus ook aan ons - de vraag

voorlegt: wat had Ik nog meer kunnen doen, wat heb Ik te weinig gedaan? Als het leven niet verloopt, zoals wij dat zouden willen, roepen wij heel

menselijk God ter verantwoording. Hoe verdrietig ziekte, natuurrampen en het overlijden van dierbaren ook is, dat behoort- al zouden we dat heel

graag anders wllen - tot de geschapen natuur. Maar daarnaast - en dat is nog veel schrijnender - is er het kwaad dat mensen elkaar aandoen door

onenigheid en door het streven naar macht. Hoe vaak roepen we niet uit: God, waarom laat U het kwaad toe, had U in Uw barmhartigheid, in Uw goedheid

die ellende niet kunnen voorkomen? Dan herinnert de profetie ons eraan, dat God ons het goede in handen heeft gegeven, maar dat we zelf niet

op de juiste wijze ermee omgaan. Al spreekt de profetie over ondergang of de dreiging ervan, de ondertoon mag ons duidelijk zijn: het is een

waarschuwing om ons leven bij te sturen, echter wel met het duidelijke accent, dat God ons in Zijn goedheid nieuwe kansen aanreikt.

De wijngaard, al het geschapene, de samenleving, wij-mensen zullen vrucht moeten dragen. Daarop wijst Jesus ook in de gelijkenis uit het

Mattheüsevangelie. Het is een gelijkenis, die Jesus vooral voorhield aan de hogepriesters en de oudsten van het volk, zij die het meest verantwoorde-

lijk zijn voor een goede samenleving, waarbij we ons als christenen bewust mogen zijn, dat wij als Jesus volgelingen ook een speciale verwoordelijkheid

hebben: er mag van ons echt iets verwacht worden.

De landeigenaar stuurt in de oogsttijd zijn dienaren om de vruchten in ontvangst te nemen. Die landeigenaar is God. Hij geeft ons een taak - laat het aan

ons in vrijheid over hoe we daarmee omgaan - maar we dienen wel verantwoording af te leggen van ons handelen. Met de dienaren, waarover gesproken

wordt, worden de profeten bedoeld, die mensen wijzen op de weg, die zij moeten gaan. Naar die profeten werd niet geluisterd: hun optreden werd

teniet gedaan. In deze gelijkenis tekent Jesus zijn eigen optreden, als Hij vertelt dat de landeigenaar zijn zoon naar de wijnbouwers stuurt in de

verondertelling, dat zij zijn zoon wel zullen sparen, maar Hem treft hetzelfde lot als de profeten. Hij werd gedood en de wijnbouwers eigenden zich

de wijngaard toe. Zij wilden die wijngaard voor zichzelf hebben.

Hoewel de hogepriesters en de oudsten nadat Jesus de gelijkenis verteld had, uit Jesus woorden de juiste conclusie trokken - de wijngaard moet

aan anderen worden toevertrouwd - realiseerden zij zich misschien amper dat Jesus met die wijnbouwers hen bedoelde. Het is te hopen dat WIJ

het wel oppakken.

Mede naar aanleiding van de lezingen willen we ons in deze viering realiseren, dat God ons voldoende mogelijkheden heeft gegeven om vruchten

van betrokkenheid, goedheid en nabijheid voort te brengen. We willen God danken voor die mogelijkheden en vragen om die goed te gebruiken.

Als God uitspreekt "wat had Ik nog meer kunnen doen, wat heb Ik te weinig gedaan?" zeggen wij volmondig: Hij heeft ons alle mogelijkheden, alle

talenten geschonken, waarmee we het leven voor onszelf en voor medemensen inhoud kunnen geven. Gods vraag dienen we ook aan onszelf te stellen.

Wat had ik , wat hadden wij nog meer kunnen doen, wat heb ik, wat hebben wij te weinig gedaan. Vermoeden we niet dat wij tekort geschoten zijn in

onze aandacht voor God en medemensen, voor de schepping. God vraagt om de vruchten van de wijngaard, waarbij we ons realiseren, dat onze

aandacht voor God ten nauwste betrokken is bij onze aandacht voor onze naasten. We gaan aan Gods bedoelingen voorbij, als we voorbijgaan

aan medemensen.

Misschien vinden we dat we de laatste tijd in onze vieringen teveel nadruk leggen op onze tekortkomingen. We willen de situaties in kerk en

samenleving niet negatiever benadrukken als ze al zijn, maar hoeveel verdriet is er niet onder mensen door wat ze elkaar aandoen, Verdriet dat

voorkomen had kunnen worden, als we de vruchten van onze inspanning met anderen hadden gedeeld. Zoals de misdadige wijnbouwers de

wijngaard enkel en alleen voor eigen gewin wilden hebben, zo geldt dat ook voor ons. Als we niet attent zijn komt de aandacht voor God en

medemensen altijd op de tweede plaats. Hoewel de oproep tot delen ons altijd achtervolgt, is het goed dat we in eigen kring er steeds op

gewezen worden, zodat die oproep niet verwatert. Buiten de ons bekende kring ligt dat veel moeilijker en redeneren we gemakkelijk: dat is ons

pakkiean niet. Een van de thema's waarop we worden gewezen, is de zorg voor de schepping, voor het goed in stand houden van het milieu.

We zijn het er best mee eens, dat we rekening moeten houden met de generatie, die na ons komt. Meer figuurlijk dan letterlijk halen we onze schouders op en

zeggen bij onszelf: die kleine stappen, die van ons gevraagd worden, zoals het zuinig omgaan met energie, het zorg dragen voor de natuur, het niet

gebuiken van plastic tasjes - om maar een paar dingen te noemen: zet dat wel zoden aan de dijk, of anders gezegd zal dat äfzien van wel helpen: dus gaan we maar voort zoals we altijd al deden. Zal het wel iets voor vluchtelingen uithalen op welke politieke partij ik stem, zullen de werkzaamheden in de kerkgemeen-

schap gewoon niet doorgaan, ook al laat ik me daar niet voor strikken? Hoe bewust, maar dikwijlst ook onbewust bouwen we afstand om zelf buiten schot

te blijven en het aan anderen over te laten. Waar zijn dan de vruchten, waarop gerekend wordt?

De vraag: wat had ik, wat hadden wij nog meer kunnen doen, wat heb ik, wat hebben wij te weinig gedaan, klinkt vrij negatief, maar door ons handelen

kunnen we laten zien, dat we die vraag positief beantwoorden, vooral door onze aandacht en inzet voor de kwetsbare mens en voor alles wat op

onze aarde, in onze samenleving kwetsbaar is.